Editie MEI 2012

ONTVANG EMIGREER MAGAZINE VOORTAAN OOK IN JE MAILBOX !!

 

Top 10

Wat te doen indien sprake is van een fiscaal forensisch onderzoek door Justitie of een toezichthouder

Wat te doen indien sprake is van een fiscaal forensisch onderzoek door Justitie of een toezichthouder? 

Angeren, augustus 2006.
Oomen fiscaal forensisch onderzoek en fiscaal advies
www.wiloomen.nl
mr. W.J.L.H. (Wil) Oomen

Inleiding

Een forensisch onderzoek is zuiver taalkundig gezien een onderzoek dat gerelateerd is aan het strafrecht. Onderzoeken door de Belastingdienst zijn in veel gevallen geen onderzoeken die forensisch getint zijn. Daarvan is slechts sprake indien de gestelde sancties een strafrechtelijk karakter dragen. Volgens artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is dan sprake van een criminal charge (het instellen van een strafvervolging) waardoor het zwijgrecht van toepassing is. Ook bij omkering van de bewijslast kan sprake zijn van een forensische probleemstelling. Hoe kan iemand nu tegenwicht bieden aan zo’n onderzoek?

Uit eigen ervaring als controlespecialist fraudeafdeling bij de Belastingdienst blijkt dat bij forensische onderzoeken de adviseurs en/of de advocaten zich met name richten op fiscaal/juridisch punten en de feiten slechts in uitzonderingssituaties aan een uitgebreid tegenonderzoek onderwerpen. Hierdoor wordt de uiteindelijke (strafrechtelijke) procedure beslecht op feitelijkheden die inhoudelijk niet getoetst zijn door belanghebbende en misschien niet geheel juist, eventueel onvolledig of deels gekleurd kunnen zijn. Tevens kunnen formele bepalingen uitkomst bieden. Het lijkt derhalve eenvoudig te stellen dat een tegenonderzoek door een fiscaal forensisch onderzoeksdeskundige een noodzakelijke activiteit kan zijn. Problemen op het gebied van het materiele en formele straf- en belastingrecht, en op het gebied van de forensische accountancy en onderzoekstechnieken, rechtvaardigen deze stelling. Dit is dan ook mijn eerste advies aan de behandelend fiscalist, accountant of advocaat.

Strafrechtelijke bepalingen

Voor fiscale fraude is geen wettelijke definitie. De artikelen uit het Wetboek van Strafrecht (WvSr) en de strafrechtelijke bepalingen uit de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) geven aan wanneer sprake is van een misdrijf of een overtreding. In het spraakgebruik wordt fiscale fraude ook wel als volgt omschreven:Het schuldig (opzet of grove schuld) zijn aan het toebrengen van nadeel, door middel van gekunsteldheden of het verschaffen van onjuiste of onvolledige informatie, aan de Belastingdienst. De strafrechtelijke bepaling die veel voorkomt bij fiscale fraude is valsheid in geschrifte conform artikel 225 WvSr en de strafrechtelijke bepalingen conform de AWR. De maximale straf voor dit vergrijp is 6 jaar gevangenisstraf. Conform artikel 67 Wetboek van Strafvordering (WvSv) komen hierdoor bepaalde bevoegdheden en dwangmiddelen (titel 4 en 4A WvSv) in beeld die niet van toepassing zijn bij strafbare feiten met een lagere straf (minder dan 4 jaar). Deze bevoegdheden zijn o.a.: bevel tot voorlopige hechtenis; aanhouding buiten heterdaad; doorzoeking ter aanhouding; inverzekeringstelling; inbeslagneming en doorzoeking zonder heterdaad; doorzoeking voertuig zonder heterdaad, en enkele bijzondere bevoegdheden zoals; stelselmatige observatie; infiltratie; pseudo-koop of dienstverlening; afluisteren vertrouwelijke informatie; onderzoek van telecommunicatie en informatieplicht telecom bedrijven en de mogelijkheid van het opstarten onder voorwaarden van een verkennend onderzoek. Er dient voordat er ook maar een opsporingsactiviteit plaats kan vinden sprake te zijn van een verdachte. Dit houdt in dat ten aanzien van feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld van enig strafbaar feit dient voort te vloeien.De mogelijkheden die justitie heeft indien sprake is van een artikel 67 WvSv onderzoek zijn uitgebreid maar niet ongelimiteerd.

Sfeerovergang

De bevoegdheden die de Belastingdienst bij een boekenonderzoek heeft staan vermeld vanaf artikel 47 AWR (hoofdstuk 8 afdeling 2). Hierin staan o.a. vermeld: de inlichtingenplicht; de informatieverplichting in internationale verhoudingen; de identificatieplicht; de administratieplicht; de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht. Indien er sprake is van sfeerovergang naar het strafrecht dan zullen de bevoegdheden ingevolge de AWR komen te vervallen en treden de bevoegdheden van het strafrecht in werking. Hierbij horen uiteraard ook de rechten die een verdachte toekomen zoals zwijgrecht (art. 12g WvSv), het recht op een eerlijk proces en het niet hoeven mee te werken aan zijn eigen veroordeling (EVRM) en het recht op wederhoor (art. 12e WvSv). Indien bepaalde gedragingen hebben plaatsgevonden die ingevolge de AWR als fraude worden gekwalificeerd komen de strafrechtelijke bepalingen van artikel 68 en 69 AWR in beeld. Artikel 68 is bedoeld voor overtredingen. Artikel 69 voor misdrijven. De maximale gevangenisstraf is ook hier 6 jaar waardoor wederom de bevoegdheden van artikel 67 WvSv zoals benoemd in paragraaf 2.1 in beeld komen. Artikel 68 AWR spreekt van een strafbaar feit (overtreding) indien niet wordt voldaan aan verplichtingen opgelegd in dat artikel. Het betreft hier verplichtingen zoals: het verzoeken om een aangiftebiljet; het vertegenwoordigen buiten rechte; inlichtingenplicht en inzageplicht in boeken en bescheiden; identificatieverplichting; toegangsverlening voor zover van belang voor de belastingheffing; administratieve verplichtingen en factureringsverplichtingen.

Deze opsomming is niet limitatief maar behelst de belangrijkste bepalingen uit dat artikel. Van belang voor dit artikel is dat geen sprake hoeft te zijn van opzet. Het strafmaximum is zes maanden hechtenis of een geldboete van de derde categorie .
Artikel 68 zal niet snel in beeld komen, hooguit bij het niet verzoeken om een aangiftebiljet indien hiertoe wel reden voor is. Als voorbeeld geldt iemand die buiten beeld is gebleven van de fiscus terwijl hij mogelijk wel belastingplichtig is. De sanctie van artikel 68 is dan ook miniem namelijk maximaal een geldboete van de derde categorie.Artikel 69 AWR is een strafbepaling (misdrijf) die ziet op het opzettelijk handelen in strijd met voornamelijk bepalingen uit artikel 68 AWR. Daarnaast bevat dit artikel separaat opgenomen de bepaling van het opzettelijk niet doen van de juiste aangifte dan wel het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van de aangifte. Het strafmaximum van artikel 69 bedraagt zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie.In beide gevallen is sprake van een strafrechtelijke bepaling waardoor de rechten en opsporingsbevoegdheden ingevolge het strafrecht in beeld komen. Indien bij een belastingcontrole fraude wordt geconstateerd zal dat meestal zijn omdat de feiten anders (of niet volledig) worden gepresenteerd dan ze werkelijk zijn geweest. Fiscale geschillen, indien in alle redelijkheid pleitbaar, zullen niet snel als fiscale fraude worden gekwalificeerd.

Bestuurlijke boeten

Bij het vaststellen van de aanslag kan administratiefrechtelijk een boete van ten hoogste 100% worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld te wijten is dat de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. De boeten kunnen worden gemitigeerd op grond van het BBBB. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijke opzet. Indien sprak is van grove schuld bedraagt de boete 25% van het bedrag van de aanslag. Bij opzet bedraagt de boete 50%. Een boete van 100% is alleen mogelijk indien sprake is van verhoudingsgewijs omvangrijke fraude waarbij listigheid en constructies de boventoon voeren en in gevallen waarbij sprake is van opzet en recidive. Indien een boete wordt opgelegd op grond van bovenstaande bepalingen is sprake van een “criminal charge”. Dit houdt in dat de belastingplichtige de rechten van een verdachte toekomen (art. 6 EVRM). De verdachte heeft het recht om te zwijgen en hoeft niet meer mee te werken aan zijn eigen veroordeling voor zover, conform het Saunders arrest[3] en uitgewerkt in artikel 67j AWR en het BBBB, de gegevens en inlichtingen afhankelijk zijn van de wil van belastingplichtige. De boeten van artikel 67 AWR worden bestuurlijke boeten genoemd en maken geen deel uit van het strafrecht.

Informatieplicht in relatie met strafrechtelijk onderzoek

Het EVRM en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn internationaal gezien van belang voor het verloop van een strafrechtelijk onderzoek. In het EVRM wordt met name het fair trial beginsel en het recht om zich niet te hoeven incrimineren uitgewerkt ook wel bekend als het “nemo tenetur-beginsel”.  Vooral het recht om zich niet te hoeven incrimineren in relatie met een niet strafrechtelijk geschil zoals bijvoorbeeld een fiscaal administratieve procedure heeft de laatste jaren veel belangstelling van het EHRM en de Hoge Raad genoten.Ook destijds heb ik aangegeven dat de uitspraken van de Hoge Raad op gespannen voet staan met de opvattingen van het EHRM.Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat voor de onderbouwing van een boete geen gebruik mag worden gemaakt van onder dwang verkregen verklaringen, ongeacht op welk moment of met welk doel de verklaringen zijn verkregen. Tevens is zij de mening toegedaan, en dat wordt bevestigd in de Clickfondszaak, dat een strafvervolging belanghebbende niet ontslaat van zijn verplichtingen tot informatieverstrekking. De vraag of de informatie gebruikt kan worden in een strafzaak of bij het opleggen van een boete komt pas aan de orde bij de “determination of a criminal charge” in de zin van artikel 6 EVRM. Volgens de Hoge Raad was onderhavige zaak niet vergelijkbaar met J.B. versus Zwitserland omdat in de Clickfondszaak geen zicht was op een criminal charge. Het enkele doel van de vragen was een juiste belastingheffing. De omkering van de bewijslast was dus rechtmatig.Het EHRM is de mening toegedaan dat degene tegen wie een criminal charge (strafvervolging) is ingesteld, op grond van artikel 6 EVRM het zwijgrecht heeft en niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Daarnaast hoeft belanghebbende niet mee te werken indien ten tijde van het stellen van de vragen niet duidelijk is wat de gevolgen kunnen zijn, strafoplegging of niet. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet kon uitsluiten dat de antwoorden zodanig belastend zouden zijn dat strafoplegging een direct gevolg zou zijn. De vragen hadden vanuit de positie van belanghebbende alleen betrekking op de criminal charge. In een latere zaak bij het EHRM[9] overweegt het hof dat er nog geen verdachte hoeft te zijn om zich op het nemo tenetur-beginsel te kunnen beroepen. Indien belanghebbende weet dat voldoening aan verplichtingen met zich meebrengt dat de antwoorden in de tegen hem lopende strafzaak gebruikt kunnen worden dan is een beroep op het beginsel mogelijk.

Bewijslastverdeling in het fiscale procesrecht

De bewijslastverdeling is een zaak van de rechter en komt dus pas in de beroepsfase aan de orde. Uiteraard zullen partijen vooraf hierop inspelen en de bewijsrisico’s inschatten. Het fiscale recht gaat uit van de vrije bewijsleer. De wet stelt vrijwel geen eisen of beperkingen (enkele uitzonderingen waarin een schriftelijke onderbouwing wordt geëist zijn o.a.: art. 3.20 Wet inkomstenbelasting en toepassing nultarief art. 12-1 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting). De rechter vormt een oordeel over de feiten. De verdeling van de bewijslast geschiedt naar redelijkheid.Hiervoor gelden in principe twee regels:

1.    Wie stelt die bewijst, waarbij aangetekend kan worden dat de bewijslast kan verschuiven indien iemand de schijn tegen zich heeft.

2.    De partij die het beste in staat is het bewijs te leveren dient dat ook te doen. Mijns inziens zal deze laatste regel vooral gelden indien de ene partij iets op een eenvoudige wijze naar voren kan brengen terwijl die andere partij hier de mogelijkheid niet toe heeft. Voorbeelden hiervan zijn de bedrijfsgegevens van belastingplichtige en gegevens van de belastingadministratie die eenvoudig getrokken kunnen worden door de inspecteur.  De bewijslastverdeling verdient speciale aandacht bij een onderzoek naar fiscale fraude.

Omkering van de bewijslast[10]

Omkering van de bewijslast doet zich voor indien de inspecteur aannemelijk maakt dat zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 25-6 en artikel 27-e AWR. Artikel 25-6 en artikel 27-e AWR houden in:Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag of indien een beroep is ingesteld tegen de uitspraak op een bezwaar en de vereiste aangifte niet is gedaan of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ten dienste van de belastingheffing opgelegd ingevolge de AWR, dan wordt de belastingaanslag gehandhaafd, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is.Belastingplichtige kan aannemelijk proberen te maken dat een dergelijke situatie zich niet voordoet. Indien zich een dergelijke situatie wel voordoet dan heeft dat twee gevolgen:A) de bewijslast verplaatst zich naar de belastingplichtige ook al zou onder normale omstandigheden de bewijslast bij de inspecteur liggen. De inspecteur mag de aanslag niet naar willekeur opleggen.B) belastingplichtige krijgt een verzwaarde bewijslast opgelegd. Aannemelijk maken is niet meer voldoende. Hij dient overtuigend aan te tonen dat de opgelegde, niet willekeurig tot stand gekomen, aanslag onjuist is.Omdat deze maatregel uit de wet volgt dient de rechter deze zo nodig ambtshalve toe te passen. Wel dient de inspecteur de feiten te stellen die tot omkering leiden.

De inspecteur is bij het opleggen van deze maatregel gehouden aan algemene voorwaarden zoals:- de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
- duidelijk peremptoir stellen;
- het proportionaliteitsvereiste;
- het AVAS beginsel.
Omkering van de bewijslast vindt op grond van artikel 25 lid 6 en 27-e AWR plaats indien:- de vereiste aangifte niet is gedaan;
- niet is voldaan aan de informatieverplichtingen;
- niet is voldaan aan de administratieve verplichtingen.

Omkering geen sanctie en de raakvlakken met het strafrecht

Artikel 25-6 vormt in combinatie met 27-e AWR een bewijslastprobleem. De AWR positioneert het niet onder de boeten of de strafbepalingen maar kwalificeert het als een maatregel van nationaal recht. De Hoge Raad noemt omkering van de bewijslast soms wel een sanctie. Het wordt echter nooit als een criminal charge in de zin van het Europese verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) beschouwd. Dit geldt wel voor de bestuurlijke boeten van artikel 67a AWR. Het belang hierbij ligt op het gebied van de rechtsbescherming. Indien sprake is van een criminal charge zijn de rechten van een verdachte ingevolge het strafrecht van toepassing.De slotzinnen van artikel 25-6 en 27-e AWR bepalen dat de maatregel is uitgesloten voor zover het bezwaar of beroep is gericht tegen een vergrijpboete. Dit houdt in dat de inspecteur te allen tijde de bewijslast heeft over het opleggen van een boete ook al is de primitieve aanslag opgelegd op grond van omkering van de bewijslast. Dit heeft te maken met de onschuldpresumtie bij een criminal charge (artikel 6 lid 2 EVRM). Iemand tegen wie een vervolging is ingesteld (criminal charge) wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Risico’s voor de adviseur

Los van de aansprakelijkheidsrisico’s die een adviseur heeft (onrechtmatige daad en wanprestatie) en de rechtsdwaling die daaruit kan voortvloeien voor zijn klant is er het risico van de strafrechtelijke vervolging voor de adviseur.  Het is mogelijk dat een adviseur als pleger van een delict, maar ook als verrichter van diensten ten behoeve van zijn klant, betrokken is bij een strafbaar feit. In het meest voorkomende geval kan een adviseur als medepleger of medeplichtige betrokken zijn bij een strafbaar feit (fiscale fraude) van zijn klant. De deelnemingsvormen doen plegen en uitlokken worden buiten beschouwing gelaten omdat ze in dit kader te ver voeren.Voor medeplegen is een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering van het delict nodig. Niet nodig is dat alle delictbestanddelen door de medepleger worden vervuld. Het kan zelfs zijn dat zijn fysieke aanwezigheid niet vereist is.Bij medeplichtigheid is het noodzakelijk dat een misdrijf is gepleegd. Enerzijds kan van medeplichtigheid sprake zijn indien opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van het misdrijf en anderzijds indien opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen zijn verschaft tot het plegen van het misdrijf. Zowel bij medeplichtigheid als bij medeplegen is dubbel opzet vereist namelijk opzet op het delict en opzet op de samenwerking of het bevorderen van het misdrijf.Indien een adviseur bijdraagt aan de handelingen van de pleger dan is het zeer wel mogelijk om een adviseur strafrechtelijk te vervolgen. Dit voorkomt niet dat de klant oftewel de pleger vrijuit gaat tenzij er sprake is van rechtsdwaling.

Enkele Tips

1) Beroep u op het zwijgrecht indien de mogelijkheid zich hiertoe voordoet.
2) Zorg voor een goede sfeer en ga niet onnodig tegenwerken.
3) Laat de vragen door de toezichthouder schriftelijk bevestigen
4) Beantwoord niet meer, en verstrek niet meer informatie, dan gevraagd wordt.
5) Laat documenten niet meenemen en registreer de kopieën die de toezichthouder ontvangt.
6) Laat de toezichthouder niet zelfstandig uw geautomatiseerd systeem raadplegen. Zij kunnen wel hiervan een kopie opeisen.
7) De fiscus kan derdenonderzoeken opstarten en uw klanten benaderen. Dit geldt echter niet voor particulieren of personeelsleden.
8) U bent niet verplicht, zonder rechterlijke toestemming, uw woning te laten doorzoeken of toegang te verlenen tot deze vertrekken.
9) U heeft recht op inzage in uw dossier bij de toezichthouder.
10) Laat u begeleiden door een deskundige en zorg voor één deskundig aanspreekpunt voor de toezichthouder (sta niet toe dat uw personeel wordt benaderd voor inlichtingen).
11) Neem ingeval van een strafrechtelijk onderzoek direct contact op met uw advocaat en beroep u op uw geheimhoudingsplicht voordat u met uw advocaat heeft overlegd.
12) Werk bij een strafrechtelijk onderzoek, voordat u met uw advocaat heeft gesproken, alleen onder protest mee. Maak dit duidelijk kenbaar.

Conclusie

Het lijkt raadzaam om in gevallen van theoretische omzetberekeningen, steekproeven, omkering van de bewijslast, formele regelgeving en opsporingsbevoegdheden deskundigheid in huis te halen. Een tegenonderzoek zal dan in veel gevallen geen overbodige luxe zijn. De gepresenteerde feiten (bewijsmiddelen) hoeven niet altijd duidelijk en volledig te zijn. Soms kan dit ook niet omdat de toezichthouder niet over deze gegevens beschikt. Dit geldt mijns inziens voor de meeste fiscale geschillen waarbij de juistheid of de volledigheid ter discussie staat. Indien waardeoordelen worden gekoppeld aan bescheiden zoals bij emigratie het geval kan zijn, omdat het onderzoek bestaat uit het in kaart brengen van iemand zijn leefwijze en zijn sociaal, economische en maatschappelijke betrekkingen, zijn de risico’s zeer reëel.Het is van belang de bevoegdheden van de opsporingsinstantie en de toezichthouder, en de sfeerovergang tussen het administratieve- en het strafrecht goed te bewaken. Indien iemand als verdachte wordt aangemerkt dient er wel te sprake te zijn van een vermoeden van een strafbaar feit. Dit vermoeden dient objectief vastgesteld te kunnen worden. Indien er twijfels zijn over de rechtmatigheid van de werkwijze van de opsporingsinstantie of toezichthouder dan is het raadzaam om niet mee te werken of dit in ieder geval te doen onder protest. Dit kan namelijk leiden tot onrechtmatig verkregen bewijs. Bij een gewoon boekenonderzoek is het raadzaam een deskundige de begeleiding te laten doen. Daarbij dient duidelijk te zijn wie wel en wie niet aan de fiscus informatie kan verstrekken.Het formele recht speelt een grote rol bij fraudeonderzoeken. De bewijslastverdeling en de bewijsmiddelen verdienen speciale aandacht. Tevens zijn er de beginselen van behoorlijk bestuur die van invloed kunnen zijn op de uitkomst van een procedure. Omkering van de bewijslast kan alleen plaatsvinden als belastingplichtige significante gebreken met betrekking tot de aangifteplicht, de informatieplicht of de administratieplicht voortbrengt. De inspecteur is bij het opleggen van deze maatregel gebonden aan de algemene voorwaarden.

Het is de vraag of de Hoge Raad zich, aangaande de informatieplicht in relatie met het zwijgrecht, distantieert van het EHRM. Het EHRM redeneert mijns inziens meer vanuit de gedachte van belanghebbende en het recht dat iemand heeft om zichzelf niet te hoeven incrimineren.
In de Clickfondszaak was niet aan de orde dat de uitkomsten tot strafvervolging konden leiden omdat strafrechtelijke vervolging voor deze onderhavige problematiek reeds had plaatsgevonden (una-via beginsel). De uitkomst van de Hoge Raad was dus in orde, al heb ik vragen over de onderbouwing omdat de Hoge Raad stelt dat strafvervolging belanghebbende niet ontslaat van zijn verplichtingen tot informatieverstrekking op grond van artikel 47 AWR.

De informatieverplichting op grond van artikel 47 AWR, in gevallen waarbij belanghebbende weet of in alle redelijkheid kan verwachten dat beantwoording kan leiden tot een criminal charge, is nog niet geheel uitgeprocedeerd. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat aan het EHRM nogmaals een casus voorgelegd dient te worden waarbij specifiek deze problematiek aan de orde zal komen. Ook de zaak Shannon geeft hier nog geen volledige zekerheid over.
Verdedigbaar is dat belanghebbende zich beroept op het zwijgrecht. Er zijn echter risico’s en voorzichtigheid is geboden.
Voor de adviseur geldt dat voorzichtigheid is geboden bij de advisering of het begeleiden van de klant bij een boekenonderzoek. De kans dat de adviseur zelfstandig wordt vervolgd voor bijvoorbeeld medeplichtigheid of als medepleger is zeer reëel. Het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie of het verstrekken van adviezen die gebruikt worden door de klant om fraude te plegen zijn hiervan voorbeelden.Zowel voor administratiefrechtelijke als strafrechtelijke onderzoeken is het mijn inziens gewenst een deskundige het formele kader te laten bewaken en deze deskundige dient tevens een bijdrage leveren aan de waarheidsvinding waardoor het evenwicht tussen enerzijds een overheid met al zijn middelen en bevoegdheden en anderzijds een belastingplichtige enigszins wordt hersteld .  


W.J.L.H. Oomen; Non-residence, een maas in het net?: VU Amsterdam 2004/2005

 Artikel 67a AWR e.v.

EHRM, 17 december 1996, BNB 1997/254

 W.J.L.H. Oomen; Omkering bewijslast; onderschat of onderbelicht?: VU Amsterdam 2005

 Hoge Raad 27 juni 2001, BNB 2002/27

Hoge Raad 27 februari 2004, nr. 37 465, N-N 2004/14.3 (Clickfondszaak)

Arrest Funke, EHRM 25 februari 1993, FED 1993/628

Arrest J.B. tegen Zwitserland, EHRM 3 mei 2001, BNB 2002/26 en NJ 2003/354

Arrest Shannon tegen Verenigd Koninkrijk, EHRM 4 oktober 2005

 W.J.L.H. Oomen; Omkering bewijslast; onderschat of onderbelicht?: VU Amsterdam 2005

 W.J.L.H. Oomen; Belastingfraude door middel van fictieve emigratie & misbruik van buitenlandse rechtspersonen: FORAC Nyenrode 2004