Fadoek, Willie en Bep en andere dierenverhalen uit Andalusi
Fadoek, Willie en Bep en andere dierenverhalen uit Andalusi
Vooraf
Ik had een kamer in een oud huis, doordrenkt van een zware zeeplucht. Er stond een zeepfabriek in de buurt. Hoge woningen gebouwd rondom een binnenplaats met kleine tuintjes en fietsenhokken. De huizen werden bewoond door studenten, Spanjaarden en Turken. Er woonden ook nog enkele oorspronkelijke bewoners. Met vijf medestudenten bewoonde ik een pand dat op de nominatie stond gesloopt te worden. We hadden een contract waarin stond dat we het huis dienden te onderhouden, dat we geen huur verschuldigd waren en dat we op het moment van sloop het pand vrijwillig zouden verlaten. De gemeente beloofde op tijd te waarschuwen wanneer die sloop zou gaan plaatsvinden. Ik had een ruime kamer. We deelden een keuken, een badkamer en een zitkamer die we wekelijks om beurten schoonmaakten. In de keuken hing een lijstje waar op stond wiens beurt het wanneer was. Er hing ook een lijstje met het bierverbruik en een met het aantal tikken dat een ieder verbelde. En dan als laatste een lijstje met de namen van wie wanneer de warme maaltijd bereidde. De warme maaltijden in het weekend kwamen voor mijn rekening: ik hield van koken.
Als het zomer was en warm en iedereen de ramen open had, hoorde je onder het koken de geluiden van de andere bewoners. Schreeuwende kinderen, blaffende honden, een gillende kat, een man die boos wat roept, een deur die erg hard dichtslaat, de televisie. Kinderen die door hun moeder geroepen worden en... het geluid van kippen en een haan. Ik keek uit het raam. De afgelopen nachten was ik erg vroeg wakker geworden door hanengekraai. Ik hoorde de kippen maar kon ze niet zien. Ik ging wat verder uit het raam hangen. Een paar huizen verder, ook een studentenhuis, kon ik tegen het huis aan gaas onderscheiden en een houten constructie. Her en der hoorde je mopperen over die vermaledijde haan. Een avond belde de buurman aan, een oorspronkelijke bewoner, met de vraag of we samen met anderen niet wat konden doen aan die haan. Hij werd niet wakker van dat beest maar wel van zijn vrouw. Hij moest ’s morgens vroeg op, voor zijn werk. ‘Dat kan toch ook niet in een woonwijk. Zo gaat er nog eentje varkens houden.’
Toen ik op een morgen na sluitingstijd van het café nog even in de keuken zat, hoorde ik de haan al kraaien. Dat was wel erg vroeg. Onder invloed van de drank borrelde er een enorm solidariteitsgevoel met de buurman op. Ik ging er wat aan doen. Het roer moest om. Via de regenpijp klauterde ik naar beneden naar de begane grond. Ik begrijp nog steeds niet waarom ik niet gewoon via de deur ben gegaan. Ik stond voor het kippenhok en in het licht van mijn aansteker zag ik al die beesten op een stok zitten met de haan in het midden. Ik maakte het deurtje open en vatte de haan. Die begon heel hoog te gillen. Ik wist maar een manier om hem het zwijgen op te leggen en dat was zijn keel een beetje dicht knijpen. Nu kwam er alleen nog maar een stil steunen uit. De kippen bleven godzijdank rustig. Het deurtje uit, het deurtje dicht en dit keer door het poortje de straat op. Er blafte een hond. Daar stond ik, tegen een uur of drie in de nacht met een haan onder mijn ene arm en mijn andere hand om zijn nekje. Wat nu? Het enige dat ik kon verzinnen was de haan naar de kinderboerderij brengen en hem daar over het hek flikkeren. Dat was aan de andere kant van de stad, een uur fietsen. Hoe moest ik samen met dat beest op de fiets? Onder de snelbinders?
Jaren later, toen ik in Spanje woonde, werd een plaatselijke boef door de Guardia betrapt. Hij kwam aanrijden op zijn brommer, midden in de nacht met een levende gans vastgebonden op de bagagedrager. Ik zocht een kartonnen doos en deed hem daarin. Eenmaal in die doos en zonder mijn hand als demper om zijn keel begon te haan niet opnieuw te krijsen. Hij bleef doodstil. Misschien had ik toch iets te stevig zijn keel dichtgeknepen. Ik schudde even met de doos en de haan schudde nog even verder. Hij leefde nog. Nu stopte ik de doos onder de snelbinders. Ik had de Solex van een huisgenoot geleend en tufte zo naar de kinderboerderij. Af en toe hoorde ik wat gekrabbel in die doos. De haan hield zich rustig. Op het moment dat ik daar aankwam, stond de politie al klaar. Er was ingebroken. Booswichten hadden een gat in de omheining gemaakt en waren er met heel wat van het aanwezige pluimvee van tussen. De agent wees op het gat en ik zag veertjes in het licht van zijn zaklamp. ‘Goh, wat toevallig, ik kwam net een haan brengen’, leek mij niet op zijn plaats. Ik moest zo gauw mogelijk weg voor die haan weer geluid ging maken en voor die agent moeilijke vragen ging stellen. Niet rechtsomkeert. Dat zou verdacht zijn. Met een rustig: ‘Nou, ik ga maar weer eens op huis aan. Het is al laat’, fietste ik de Solex aan en vervolgde mijn weg. Ik kneep ’m als een ouwe dief. Een paar straten verder stopte ik weer. Ik draaide me om, pakte de doos en liet de haan los.
Die avond moest ik het eten maken. Ik ging voor kip. Terwijl ik in de krant las dat vandalen een gat in de omheining van de kinderboerderij hadden gemaakt, haalde ik uit de ijskoude kip het plastic zakje met lever, maag en halsje. Een haan was in de buurt van de boerderij teruggevonden in de tuin van een particulier. Die was de dans ontsprongen. Ik wreef de kip in met een mengsel van knoflook, tijm, nootmuskaat en venkel. Ik dacht aan de haan. Niet lang daarna woonde ik op een ander adres. Een oude boerderij tegen een nieuwbouwwijk aan, ook weer een studentenhuis. En daar hadden ze kippen. Een heleboel. Ze legden eieren. Twee per dag. Met zijn allen. ‘Ja,’ zei de jongen van wie ze waren, ‘ik moet steeds nog een keer naar de kinderboerderij toe. Dan kiep ik de kippen die niet leggen over het hek. Dat heb ik wel eens eerder gedaan.’ ‘En zelf slachten?’ Even was het stil. ‘Doe jij het?’ ‘Ja, best.’ ‘Heb je dat wel eerder gedaan?’ ‘Nee, een keer bijna’, en ik vertelde hem het verhaal van de haan. Het is niet gemakkelijk te weten of een kip nou legt of niet als je niet de tijd hebt een etmaal in het hok te liggen om dat eens rustig te bekijken. We namen de kip die er het meest gehavend uit zag in de veronderstelling dat dát de oudste was. Ik zat in de keuken met de kip op mijn schoot. Na een tijdje werd ze wat rustiger. Ik streelde haar over haar kop. Ik deed de la open, pakte een scherp mes. Ik nam de kip tussen mijn benen. Met mijn linkerhand hield ik de kop vast en met mijn rechterhand ritste ik langs haar hals. Verbouwereerd keek ik naar de kop. Ik wist dat een kip zonder kop nog van alles kon doen. Wat ik niet wist was dat die kop ook nog van alles kon, eigenlijk net zo lang als de rest van de kip. Met open mond keek ik naar het kopje in mijn hand. Snaveltje open snaveltje dicht. Toen eindelijk alle beweging voorbij was, zag ik pas wat ik aangericht had.
Het anders zo vlekkeloze witte fornuis was rood bespoten. Ook de muur was niet meer vlekkeloos. En overal veertjes. Een beetje beteuterd keek ik naar de kip en de chaos die ik te weeg had gebracht. Ik plukte de kip en maakte daarna de keuken schoon. Bij het openmaken van de romp bleek dat ik de verantwoordelijke voor een van die twee dagelijkse eieren te pakken had genomen. Er zat nog een heel ei in, een windei, en talloze dooiers van steeds kleiner formaat. Het werd een zalige coq au vin. Mijn huisgenoten waren verrukt. De kip werd door ieder geprezen en wat hen betrof mocht ik best alle kippen offeren. Wel jammer van dat ei. Als ik nou eens de kippen die er het slechtst uitzagen in leven liet... vanaf toen aten we elke zaterdag kip. Tien zaterdagen lang. Toen ik de elfde zaterdag het hok indook om de laatste kip te pakken, zat zij in het leghok. Eén kip, één ei per dag. De aanvankelijke schrik bij het beëindigen van een leven veranderde in een routine. Ik slachtte efficiënter. Minder rotzooi en in kortere tijd. Het was in die dagen dat ik mijn studie had afgemaakt en de vrouw van mijn leven had ontmoet. ’s Nachts lag ik wakker. De gedachte dat ik voor de rest van mijn leven als dagelijkse bezigheid lokalen vol zestienjarigen de schoonheid van hun moedertaal moest bijbrengen maakte me bang. Ik sloeg op de vlucht. Met Isabel liftte ik naar Zuid-Spanje.
Het liep tegen Kerstmis. We logeerden bij vrienden op hun boerderij in Spanje. We hielpen hun met het werk op het land. Op dat moment waren ze bezig met het binnenhalen van de olijvenoogst. Dat was een flinke klus. Van ’s morgensvroeg tot ’s avonds laat klommen we in bomen en sloegen de olijven eruit in grote netten die we onder die bomen gelegd hadden. De oogst werd dan wekelijks opgehaald en door een vrachtwagen naar de molen gebracht. Moe van het werk zaten we ’s avonds op de bank voor een vuur en genoten van de vlammetjes en elkaars gezelschap. Een avond was Dokter Zhivago op tv en we zouden met zijn vieren, drank, chips, nootjes, een groot haardvuur en Omar Sharif de avond door gaan brengen. Midden onder de film werd er op de deur geslagen. Een dronken buurman. Onverstaanbaar. Maar hij zou zo terugkomen. Dat was duidelijk. Na een uurtje werd er weer gebonsd. Dezelfde buurman. Nu met het uiterlijk van een guerrillero. Alleen waar een soldaat kogelriemen draagt had hij worsten om zich heen gedraaid, kleine zwarte in een streng, dikke roodkleurige en lange dunne rode met groene stipjes. Waar een soldaat zijn wapen heeft had hij flessen zeer zware drank. Hij stond te wankelen op zijn benen, zwaaiend met een fles en met zijn ander hand zwiepte hij een rode worst van wel een halve meter in het vuur. Ik dook de haard in want ik vond het jammer van de worst. Onze gastheer was een heel andere mening toegedaan en duwde de buurman, inclusief worsten en sterke drank langzaam maar zeker in de richting van de deur naar buiten.
Hij had een paar dagen eerder twee varkens geslacht en sindsdien zwierf hij in hoge graad van dronkenschap rond op zoek naar ge zel ligheid. Jaren later bekende Isabel dat mijn blik haar nog steeds haarscherp voor ogen stond. ‘Dat wil ik ook’, zei die blik. Tijdens dat verblijf bleek dat onze vrienden in Spanje mensen zochten om samen met hen het boerenbedrijf verder vorm te geven. Het leek ons een aantrekkelijke gedachte. Ik wist toch niet zo goed wat ik verder met mijn studie aanmoest. En wat mijn schrijversactiviteiten betrof vond ik mijzelf een literaire nul. Een idee was geboren. Waarom geen boer? Financieel bleek het toch ingewikkelder te zijn dan we aanvankelijk hadden gedacht. Maar wij hadden de smaak te pakken. En voor relatief weinig geld kochten we zelf een boerderij in dezelfde streek. Een land met meer stenen, verder van het dorp, geen stroom, maar wel water van een bron. Een olijfboomgaard met een huis en stallen. We gingen in de olijven. En we gingen dieren houden om van hun producten te leven. Kippen, varkens, geiten. En kinderen maken die we dat dan allemaal te eten zouden geven...
Misschien was schrijven toch gemakkelijker geweest. Alleen... waarover?