Editie MEI 2012

ONTVANG EMIGREER MAGAZINE VOORTAAN OOK IN JE MAILBOX !!

 

Top 10

Column Marisa, Een warm broodje betrokkenheid

Een warm broodje betrokkenheid

We waren net in de twintig toen we van Rotterdam naar Amsterdam verhuisden. We studeerden reclame artdirection en copywriting aan de kunstacademie van Rotterdam en het laatste jaar gingen we stage lopen bij een echt reclamebureau. Niet in Rotterdam natuurlijk: dat ‘dorp’ waren we na drie jaar studie wel ontgroeid. We kenden er elk min of meer hip café, hadden genoeg patatjes van Bram Ladage achter de kiezen en waren flink uitgekeken op de bedompte maar goedkope copyshop met haar sjacherijnige personeel, de te dure art supply winkel en de moderne maar slaapverwekkende bieb waar we het meerendeel van onze studietijd hadden doorgebracht. Omdat we na vier jaar studie niet de ambitie hadden om bij reclamestudio Pietje Puk in Lutjebroek carrière te maken, vertrokken we in de zomer van 1992 naar De Grote Stad Waar Het Allemaal Gebeurde!

Ondanks het meewarig gesnuif van een kennis die in een grauwe buitenwijk van Amsterdam woonde en ons dacht te vertellen dat we never nooit een huis in the big city zouden vinden, betrokken we nog geen maand later een comfortabel onderhuurappartementje bij het Prinseneiland. Wow! In vergelijking met Rotterdam bruiste Amsterdam van het leven. Zelfs ‘s avonds liepen hier mensen op straat, en niet alleen die groepjes opgeschoten jongeren die zich te pletter verveelden op een treurig verlaten Lijnbaan.

In Amsterdam vergaapten we ons aan een melting pot van toeristen, gezinnen, veertigers, vijftigers en zelfs gepensioneerden die zich ook na het jeugdjournaal naar de Stadsschouwburg waagden, de Stopera, de bioscopen en de talloze gezellige restaurants en cafés. Er ging een wereld voor ons open! De eerste maanden stoten we elkaar lachend aan als de trambestuurder in plat Amsterdams de straatnamen omriep. We begonnen ‘Hee pik’ tegen elkaar te zeggen en genoten van de welgemeende Jordanese onverschilligheid.
De anonimiteit van de grote stad bleek een unieke sensatie die ons het gevoel gaf alsof we regelrecht naar New York geflitst waren. Niemand kende ons, wij kenden niemand. En we genoten ervan.

Elke dag opnieuw werden we opgeslokt in de stroom metropolitische reizigers die zich gelaten naar het werk spoedde, elkaar stil observerend in de weerspiegeling van beslagen tramruiten. In die vijftien jaar dat we in Amsterdam woonden kwam ik één keer een goede vriend tegen in de metro: een onvoorstelbaar toeval dat we meteen vierden met een biertje op een van de vele Rembrandtplein-terrassen.
Maar – zoals altijd – begon ook Amsterdam te wennen. En naarmate we er langer woonden begon die geweldig grote stad zelfs te benauwen. We gluurden soms weemoedig bij gezellige buurtcafés naar binnen waar de bezoekers elkaar al jaren kenden, maar waarvan wij wisten dat we er als import-Amsterdammertjes niet thuishoorden. Natuurlijk, we hadden een eigen vriendenkring opgebouwd en deden verwoede pogingen elkaar regelmatig te zien – wat er in de praktijk op neerkwam dat we niet vaker dan eens per kwartaal met elkaar uit eten gingen.

We waren allemaal drukdrukdruk en liepen vaker door de controlepoortjes op Schiphol dan door de Oudemannenhuispoort.
Onze overvolle werkagenda’s, het ongeduld van de stad en de oprukkende verruwing van de Nederlandse samenleving begon ons langzaam maar zeker te bedrukken. Spontaniteit was er niet meer bij, elke afspraak moest maanden van tevoren ingeboekt worden. De ooit zo geweldige anonimiteit bleek eigenlijk niets meer dan angstige desinteresse te zijn. Als iemand onwel werd op straat, liepen de meeste mensen er snel langs: het zou wel eens ‘gewoon’ een junk kunnen zijn. Risico-films kochten we liever op dvd, omdat verhitte jongeren regelmatig de bioscopen en haar bezoekers pleegden te verbouwden. De geestverruimende stad liet steeds vaker haar bekrompen, kille schaduwzijde zien. Het was duidelijk: we zaten in een nieuwe fase van ons leven.

Bijna veertig voelden we opeens de behoefte om ergens bij te horen, om werkelijk deel uit te maken van een gemeenschap, om te weten wie onze buren eigenlijk waren en om de Hollandse onverschilligheid in te ruilen voor warme betrokkenheid.
Sinds we in Mangawhai wonen, zijn die wensen werkelijkheid geworden. Zodra we ons nieuwe huis betrokken, klopten de buren spontaan aan de deur om zich voor te stellen en ons welkom te heten. We worden om de haverklap uitgenodigd voor fundraising parties om allerlei goede doelen te steunen, van het kankerfonds tot het redden van de zeldzame, plaatselijk broedende Fairy Tern. En sinds de chocoladefabriek haar deuren heeft geopend hebben we zelfs een heuse stamkroeg! The French Café is gevestigd in het smaakvolle complex waar Bennett’s chocolade gemaakt en verkocht wordt. We wanen ons er in Frankrijk.

En alle authentieke Kiwi-cultuur ten spijt, dat is toch wel lekker vertrouwd voor twee doorgewinterde Europeanen. De materialen – natuurstenen fonteinen, houten luiken en rode dakpannen – zijn rechtstreeks uit Frankrijk geïmporteerd, de binnenplaats wordt gebruikt voor kunsttentoonstellingen, binnenkort gaat de patisserie aan de slag en er opent een delicatessenmarkt met Franse kazen, salami’s, paté’s en wijnen. The French Café is het stralende middelpunt waar de geur van versgebakken croissants je al van verre tegemoet komt. De kaart is voortreffelijk, de koffie en de warme choco onweerstaanbaar. Elk weekend, en vaak ook doordeweeks, wippen we er even binnen voor een bakkie. Altijd komen we er bekenden tegen. Soms zitten we er uren weg te kletsen met iedereen die binnenwandelt, van buurvrouw Liane en Carmen de kapper tot yogalerares Gabi en Clayton, de ontspannen eigenaar van het complex.

Deze week betrekt Arjan een van de kantoren boven de fabriek met onze buurman John die er een designbureau start. De twee overwegen voor het gemak maar een rekening te openen bij The French Café, dat naast al haar culinaire verleidingen ook wifi op het menu heeft staan.
We voelen ons geheel opgenomen in deze kleine maar hechte gemeenschap van Mangawhai, waar de bewoners de tijd nemen om elkaar vandaag nog op de hoogte te stellen van de nieuwste ontwikkelingen en laatste praatjes. Er zal vast een dag komen dat deze dorpse kneuterigheid ons de neus uitkomt. Maar tot die tijd vinden we het heerlijk om eindelijk ergens bij te horen!